Home » Nederland » Nieuwsbladtransport.nl » Is jack-up installatie achterhaald?


Is jack-up installatie achterhaald?

4 december 2019 Nieuwsbladtransport.nl

Net als de Belgische aannemers Deme en Jan de Nul heeft het Nederlandse Heerema Marine Contractors een methode ontwikkeld om offshore windparken vanaf een drijvend schip te installeren.

De Nederlandse offshore aannemer heeft daarover een voorlopige overeenkomst gesloten met ontwikkelaar Parkwind en turbineleverancier MHI Vestas. De bedoeling is om de nieuwe techniek voor het eerst toe te passen bij de bouw van het Duitse windpark Arcadis Ost 1, dat een productiecapaciteit van 257 megawatt krijgt.  Het wordt ook het eerste offshore windpark met de nieuwe V174-windturbine van 9,5 megawatt van het Japans/Deense MHI Vestas.

Volgens het Belgische Parkwind noopt de lastige bodemgesteldheid ten noorden van het eiland Rügen in de Oostzee tot het zoeken naar een alternatief voor de gangbare jack-up techniek. Daarbij vijzelt een installatieschip zich langs uitschuifbare poten tot tientallen meters boven de zeespiegel omhoog. Heerema claimt dat de nieuwe manier sneller en goedkoper is.

Sleipnir

Het Leidse bedrijf meldt niet welk schip het daarvoor in wil gaan zetten maar in een filmpje dat over het project gemaakt is, lijkt het te gaan om de ‘Sleipnir’, het nieuwe installatieschip met een hijsvermogen van 20.000 ton dat een half jaar geleden in de vaart is gekomen. Het bedrijf zegt wel dat alle componenten van de 27 windturbines in een keer meegenomen kunnen worden, wat duidt op een zeer groot dekoppervlak. Die van de ‘Sleipnir’ beslaat 12.000 vierkante meter, ongeveer twee voetbalvelden.

Bij de nieuwe installatiemethode wordt gebruikgemaakt van een ‘dummytoren’ op het dek, waar het turbinehuis (nacelle) en de rotorbladen op gemonteerd worden. Dat geheel wordt vervolgens met een van de scheepskranen op de eerder opgebouwde turbinemast gehesen. Topman Koos-Jan van Brouwershaven zegt in het gezamenlijke persbericht van de drie partners dat er ruim een jaar aan de ontwikkeling van de nieuwe techniek is gewerkt en dat het de ambitie is om die wereldwijd toe te passen.

5.000 ton

De drie stellen in een gezamenlijke verklaring dat Arcadis Ost 1 als eerste offshore windpark vanaf een drijvend schip wordt aangelegd, maar dat valt nog te bezien. Volgens Parkwind staat de installatie voor de late zomer van 2022 op het programma. IJs en weder dienende is het baanbrekende installatieschip ‘Orion’ van concurrent Deme dan al bijna drie jaar aan de slag. Dat krijgt een hijsvermogen van 5.000 ton en is speciaal gebouwd voor de installatie van een nieuwe generatie turbines met een vermogen van meer dan tien megawatt.

Ook de ’Les Alizés’, het antwoord van concurrent Jan de Nul op de ‘Orion’, kan waarschijnlijk in het zomerseizoen van 2022, al aan het werk. Die krijgt eveneens een hijsvermogen van 5.000 ton. Dat is beduidend minder dan de 20.000 ton van de ‘Sleipnir’, maar meer dan  genoeg voor de offshore wind-markt. Het zwaarste onderdeel van een windturbine is het generatorhuis van hooguit 600 ton. Bijna een peulenschil dus voor een krachtpatser als de ‘Sleipnir’, waarmee de vraag zich opdringt of die niet wat ruim bemeten is voor het relatief lichte hijswerk voor windparken op zee.

Schaalvergoting

Deme gaf bijna tweeënhalf jaar geleden het startschot voor de omslag van ‘staand’ naar drijvend installeren met zijn bestelling van de ‘Orion’ bij een Chinese werf. De groep gaf de prestaties toen overigens bewust te laag op, in een poging de concurrentie zand in de ogen te strooien. Zo bleek het hijsvermogen geen 3000 maar 5000 ton te zijn en de maximale hijshoogte geen 170, maar 180 meter. Het 216 meter lange schip is inmiddels in China te water gelaten en ligt nu in Rostock, waar kraanfabrikant Liebherr er de enorme kraan op monteert. Eind dit jaar is het schip klaar en begin volgend jaar gaat het aan de slag met de installatie van 103 funderingen voor het windpark Moray East voor de kust van noordwest Schotland.

Anders dan Heerema noemde Deme niet de bodemgesteldheid, maar de schaalvergroting van de windturbines zelf als belangrijkste reden voor het besluit om af te stappen van het jack-up systeem. Waar de hubhoogte, de hoogte van het generatorhuis boven de zeespiegel, tot voor kort onder de honderd meter lag, verschuift die de komende jaren richting 150 meter en verder. Volgens Deme zou dat dermate zware eisen stellen aan de constructie van jack-up schepen dat ze nauwelijks nog veilig en rendabel te exploiteren zijn.

Les Alizés

Jan de Nul plaatste zijn bestelling van de ‘Les Alizés’ pas vorige maand en het schip moet in 2022 klaar zijn. Het ligt voor de hand dat de aannemer het schip al in het voorjaar wil hebben, zodat het direct op de Noordzee aan de slag kan. Ook voor De Nul is schaalvergroting de reden om af te stappen van jack-up installatie.

‘De offshore installatieschepen die momenteel op de markt zijn, ondervinden de grootste moeilijkheden om de nieuwe generatie windturbines en hun zware funderingen, met hun enorme afmetingen en installatiehoogtes, te installeren’, verklaart de Belgische aannemer de keus voor drijvend installeren.

Beide schepen zullen worden uitgerust met een dynamic positioning-systeem. Dat betekent een forse extra investering ten opzichte van jack-up schepen, die dit peperdure systeem niet nodig hebben. Maar er is wel een verschil. Waar Deme kiest voor de meest uitgebreide configuratie, DP3, beperkt Jan de Nul zich tot DP2.

Het verschil zit hem in  de redundancy. Waar een DP2 systeem moet blijven functioneren bij uitval van een belangrijke component, zoals een generator of een controlepaneel, blijft DP3 nog functioneren als een compleet compartiment aan boord uitbrandt of onder water staat. De ‘Sleipnir’ is ook uitgerust met DP3.

Stil vanuit Nederland

Tot nu toe is het op het punt van het drijvend installeren wat stil van de kant van de twee grootste Nederlandse maritieme aannemers, Van Oord en Boskalis. De laatste heeft recentelijk de introductie van de ‘Bokalift 2’ aangekondigd. Daarbij wordt, naar het voorbeeld van de  ‘Bokalift 1’, op een bestaande romp een kraan geplaatst. Die krijgt een hijsvermogen van 4000 ton en een maximale hijshoogte van honderd meter, onvoldoende dus voor de installatie van de huidige en toekomstige windturbines. Dat is dan ook niet de bedoeling.

Volgens Boskalis is het nieuwe werktuig bij uitstek geschikt voor de installatie van funderingen voor windturbines, waarvoor veel minder hijshoogte nodig is. Van Oord nam in 2014 zijn ‘Aeolus’ in gebruik, die toen over een kraan van 900 ton beschikte. Die bleek drie jaar later al te klein te zijn en werd daarom vervangen door een zwaarder exemplaar van 1600 ton. Maar ook daarmee is het schip niet groot genoeg voor de installatie van de nieuwe generatie windturbines.

Dat geldt ook voor het al bijna twintig jaar oude hefschip ‘Svanen’. Dat kan weliswaar ruim 5700 ton aan, maar is door het hoefijzervormige ontwerp ongeschikt om windturbines neer te zetten. Of Van Oord aan plannen werkt om nieuwe grotere installatieschepen in de vaart te brengen, is onduidelijk. Voorlopig is het dus afwachten of er een Nederlands antwoord komt op het Belgische geweld.

Lees meer..